Vrouwen redden de wereld

Internationale vrouwendag, 8 maart 2017

Mijn moeder, geboren in 1922, heeft 1 jaar op het gymnasium doorgebracht. Ze had als 12-jarige geen zin om huiswerk te leren en haalde slechte cijfers. Haar werd niet duidelijk gemaakt wat ze hiermee verspeelde, maar in plaats daarvan werd zij van school gehaald en naar de huishoudschool gestuurd. Kon ze goed leren koken en naaien en zo. Want ze zou “toch wel trouwen en kinderen krijgen”. Wel, dat is allemaal gebeurd. Ze kon het allemaal. Een sterke vrouw die vijf kinderen grootbracht, ondanks een zeer vaak afwezige echtgenoot.

Een van die kinderen was ik dus. Het gekke is dat dertig jaar later toen ik 12 jaar was, ook tegen mij iemand zei dat ik “wel zou trouwen en kinderen krijgen”.

Ondanks die mededeling heb ik toch mijn middelbare school afgemaakt en doorgeleerd voor lerares en vertaalster en nog veel later voor therapeut. Ik mag van geluk spreken.

Gelukkig komen de meeste vrouwen in ons land tegenwoordig “goed terecht”. Ze krijgen de kans om door te leren en een mooi vak te beoefenen. Zo kunnen ze een zelfstandig en onafhankelijk leven opbouwen en er zelf al of niet voor kiezen om te trouwen en/of kinderen te krijgen. Mede doordat er in ons land seksuele voorlichting bestaat en voorbehoedsmiddelen verkrijgbaar zijn. Wat er in veel landen gewoon niet is. Waar periodieke onthouding wordt gezien als het voorbehoedsmiddel… Weet je, mijn moeder kreeg op die manier vijf in plaats van de bedoelde twee kinderen.

Ja, het is nog altijd nodig om te vechten voor vrouwenrechten. Om zelf als vrouw de mouwen op te stropen, (van) ons te laten horen. Maar ook om ons sterk en onafhankelijk op te stellen, een vak te leren en invloed uit te oefenen. Om onze kinderen dit ook mee te geven.

Het is ook nodig dat wij als vrouwen bij de komende verkiezingen een voorkeursstem uitbrengen op een vrouw. Bij voorkeur op een vrouw die wat lager op de kieslijst staat, zodat zij meer kans heeft op een zetel in de Tweede Kamer. Als de invloed van vrouwen groter is, komen al die andere zaken van (on-)recht en (on-)gelijkheid vanzelf!

Want, is het nog altijd niet algemeen bekend?

Vrouwen redden de wereld!

Vrouwen redden de wereld

Nostalgie

Ik vond een notitie terug van zondag 15 december 2019 en las met plezier hoe alles gewoon nog kon voordat een ellendig virus dat allemaal grondig verpestte. Maar we wisten toen nog niet dat dit ons boven het hoofd hing. Tijd om even herinneringen op te halen, ik hoop dat je het leuk vindt om te lezen.

Gisteren speelden we mee tijdens de Lichtjesroute in De Meern. Eerst met de Feestband in Castellum. Dat had buiten gemoeten, maar het regende. We stonden op een kluitje in het halletje te spelen. Daar kwamen de wandelaars langs, om even stil te staan en te luisteren naar de kerstliedjes die we speelden. Zelf speelde ik niet best. Was weleens “de weg kwijt” tussen de noten, of wilde harder blazen dan mijn embouchure toeliet. Vervelend, maar niemand zei er iets van, hopelijk merkten ze het niet.

Daarna naar de Mariakerk, waar we met het harmonieorkest zouden spelen. Ik kreeg met mijn stoel (die ongebruikt bleef, omdat de ruimte in Castellum waar we speelden te klein was voor stoelen) een lift van Ad. Drie kwartier later speelden we in de kerk. Daar ging het allemaal relaxter. Wij zaten boven, “in het koor”. Hier waren we vrijwel onzichtbaar voor het publiek, dat ook hier tijdens de lichtjeswandeling langskwam en stopte om naar de muziek te luisteren. Maar we waren deste beter te horen. Ruud vond het erg mooi klinken. Hij vertelde dat het publiek telkens omhoog keek naar waar de muziek vandaan kwam en dat men stil bleef staan om te luisteren. Hij zat in zijn eentje in de kerkbanken, erg ongezellig. Ik zat in onze pauzes wel telkens even bij hem. Toen Ad hem kwam vragen hoe het klonk, grapte Ruud:”Ik ben meteen weer naar buiten gelopen.” Ad snapte wel dat het een grapje was.

We speelden in het koor

Samen spelen

Mijn broer zegt:”Jij speelt mama’s muziek en je tweelingzus speelt papa’s muziek”.

En dat klopt.

Mijn vader was van de klassieke muziek, veel Beethoven en Bach klonk er vroeger in ons huis. Sibelius was ook een grote favoriet, ook van mijn moeder trouwens.

Het schijnt dat mijn vader schitterend piano kon spelen. Waarom heb ik dat nooit mogen horen? Nooit! Ik hoorde het van mijn oudste zus, toen mijn vader allang was overleden. Wat moet hij geleden hebben toen wij naast ons een buurjongetje hadden dat vele jaren lang niet verder kwam dan een altijd weer haperende vlooienmars. Arme papa.

Van mijn moeder weet ik dat ze graag orgel speelde. Ze speelde in haar jonge jaren op het kerkorgel. Heel braaf. Totdat ze dacht dat ze alleen was in de kerk. Dan ging ze los en speelde Glenn Miller, Gershwin. Uit haar hoofd. Op het kerkorgel dus, zie je het voor je? 

Mijn tweelingzus speelt viool in een kamerorkest. Prachtig. En daar komt soms Sibelius aan bod, vaak Beethoven, geweldig. Ik probeer geen enkel concert te missen. 

Mijn eigen muzikale carrière begon toen ik ziek was en om die reden van mijn opa een Hohner mondharmonica kreeg. Ik kwam niet verder dan de gebruikelijke liedjes die ieder kind op tienjarige leeftijd kent en zingt, maar toch, het begin was er. De mondharmonica is helaas tijdens een verhuizing zoekgeraakt. 

Daarna zong ik trouw in het schoolkoor, en later, als alt, vele jaren in het studentenkoor, met optredens in de Doelen van Rotterdam en het Concertgebouw in Amsterdam. We zongen Mozart, maar ook Carl Orff’s Carmina Burana, geweldig. Dan voel je je heel wat, kan ik je zeggen.

Les heb ik gehad in zang, gitaar, tenorsaxofoon (ik speelde jaren in de fanfare) en veel later de althoorn. Die speelde ik in de brassband met heel veel plezier. Maar de trombone lokte me aan, die wilde ik dolgraag leren spelen. Het is een lastig instrument, de plaatsen van de noten op de glijdende schaal van de schuif zijn een hele uitdaging, goed luisteren dus. Ik volhard. Koppig als een ezel.

Inmiddels speel ik alweer heel wat jaartjes bij de harmonie. Een groter muzikaal geluk dan Glenn Miller spelen met dit orkest kan ik me nauwelijks voorstellen. Het is de muziek van mijn moeder.

Maar toen kwam de lockdown. Ik ben vast niet de enige die grote moeite heeft zich ertoe te zetten om toch te blijven spelen. Mijn pianolessen, waar ik anderhalf jaar geleden mee begon, liggen stil en de harmonie mag niet repeteren of optreden. Vreselijk vind ik dat.

Gelukkig is mijn pianojuf weer beter, dat geeft de burger moed, maar er zijn nog geen lessen. Quatre-mains spelen met mijn zus (die al langer piano speelt, naast de viool) via Skype lukt niet, wegens de vertraging van het internet. Wel sturen we elkaar nu en dan een geluidsopname van de eigen partij, zodat de ander de hare eronder kan proberen te spelen. Daar hebben we wel schik in. 

Maar de trombone bleef bij mij een ondergeschoven kindje. Totdat Louise (trompet) me tipte om op Youtube te zoeken naar ‘play-along trombone’… 

Dat is gaaf! Vandaag heb ik me langdurig vermaakt met een soort van samen spelen. Want dat is wat ik toch het allerliefste doe. Morgen probeer ik dat ook eens op de piano. Heel leerzaam en veel leuker dan alleen spelen, ik kan het iedereen aanbevelen.

En dat is alleen nog maar de ochtend…

Ik begon de dag met mijn superyoga-oefening. Die bestaat vooral uit strekken en armen versterken. Voelt fijn aan. Op dagen dat ik dat oversla voel ik me beslist minder fit.

Na het ontbijt met Ruud maakte ik een extra lange wandeling met de hond. Langs de wetering kan hij lekker los hollen en ik kan marcheren, waar ik zo van houd.

Al een aantal dagen heb ik geen trombone gespeeld. Ik voel me niet gestimuleerd zo zonder orkestrepetities. Er zullen voorlopig wel geen optredens zijn, dus wat heeft het voor zin. Tot ik op facebook een paar kinderen op een foto zag die op straat een concert stonden te geven. Om alle thuiswerkers op te vrolijken, zo lief. Ik dacht:”Kom op Thijs (in zo’n geval noem ik mezelf bij mijn meisjesnaam), hoezo heb je een stimulans nodig? Aan de slag jij!“

Vanmorgen dus toch mezelf maar een schop gegeven en gespeeld. Voor mezelf. Ik bedacht dat er ooit wel weer ergens opgetreden gaat worden en dan wil ik wel nog mijn embouchure hebben, die ik in vele jaren heb opgebouwd. Hij was er nog hoor, de embouchure, ik heb goed gespeeld.

Piano spelen doe ik wel elke dag, merkwaardig genoeg, ondanks dat mijn lerares zich ziek heeft gemeld. Ik heb haar beloofd “voorzichtig verder te gaan in mijn lesboek”. Dus ik heb alvast zelf extra huiswerk in mijn schrift gezet. 

Ruud kwam om elf uur thuis met de Jumboodschappen, maar zonder… ja hoor, zonder wc-papier. Alles weggehamsterd. Ik ben op de fiets gestapt, een winkelcentrum verderop zou meer kans geven, hoopte ik. Daar is de Appie. Ik liep de winkel in en koerste rechtstreeks af op de juiste afdeling, maar helaas… uitsluitend lege schappen. Wel bij de kassa’s lange rijen mensen, die niet genoeg afstand hielden. Blij dat ik er snel langs kon lopen, zoefde ik weer naar buiten. Ik had nog een kans: de Lidl. Hoera, die had nog liggen. Dus ik heb een groot pak meegenomen. Geen idee of de kwaliteit goed is, maar goed, we hebben althans iets.

Wat ik niet snap, is dat het systeem van bevoorrading van de Jumbo en AH dit idiote fenomeen van pleepapierhamsteraars kennelijk ook niet aankan, terwijl je weet dat er grote voorraden zijn. Je zou denken ‘stuur es even een extra vrachtwagen of drie met dat spul naar de winkels.’ Maar ja, ik zit niet in die business, dus ik moet maar geloven dat dat niet, of in elk geval onvoldoende, kan. Maar raar is het. En vreselijk voor al die mensen die niet zo makkelijk die extra moeite kunnen doen om er wat van in de kast te hebben. Dat doen de hamsteraars hun buren aan.

Enfin, tijd voor de lunch, dan ga ik daarna piano spelen. Voor Ruud en voor mezelf. Geen stimulans nodig.

Daar kan ik lekker marcheren…

Slechts een politieke actie

De leraar vond het een goed idee als we allemaal een penfriend zouden hebben in Engeland. Dat was goed voor je Engels. Ik had er uiteindelijk twee, een meisje, Pamela, en een jongen, Tom, beiden ongeveer even oud als ik. Het meisje hield er al tamelijk snel mee op, met dat schrijven, de jongen niet. Dat ging langer duren. Heel lange brieven schreven we aan elkaar en die brieven werden hoe langer hoe liever. Hij heeft zelfs tweemaal de oversteek gewaagd, op zijn kleine motorfiets, om mij thuis te bezoeken. O wat waren we verliefd!

Maar aan alles komt een eind, zo leerde ik toen we een paar jaar verder waren.

Na de middelbare school studeerde ik Engels, vasthoudend aan de taal die me zo lief was. Ik werd lerares Engels en gaf les op middelbare scholen, dat heb ik twintig jaar gedaan. Vervolgens was ik nog eens ruim dertig jaar beëdigd vertaalster Engels, met mijn eigen vertaalbureau Big Ben Translations. Zoals de slager zich inspant om elke gehaktbal tot een succes te maken voor zijn klanten, zo vertaalde ik met enthousiasme en ouderwetse ijver en punctualiteit elke tekst, groot of klein, die me werd voorgelegd.

In gedachten zie ik “mijn” geliefde Engeland steeds verder wegdrijven van het Continent. Verder en verder… en nog verder, net zo lang tot het te laat is en de kloof niet meer kan worden overbrugd. In een nog vaak terugkerende droom zie ik mezelf eenzaam staan op een hoge heuvel in Midden Engeland. Ik kijk uit over het wijde landschap om me heen. Meer vertelt de droom me niet. Altijd kom ik terug uit de droom met een pijnlijk gevoel van eenzaamheid.

Nog ben ik mijn penfriend van toen niet vergeten, vraag me nog vaak af, waar zou hij wonen? Is hij gelukkig getrouwd? Heeft hij kinderen? Kleinkinderen misschien ook?
En nu is er definitief de Brexit. Hier beperk ik mijn onderkoelde reactie tot “wat een domme actie, dat is met geen pen te beschrijven.” 

Tegelijkertijd realiseer ik me dat dit slechts een politieke actie is van een kostschoolknaap die zich had voorgenomen iets belangrijks, wat dan ook, in de Britse geschiedenis neer te zetten.

Dat ik anglofiel ben, daar is geen Boris Johnson tegen gewassen. Dat zit dieper dan politiek, daar helpt geen Brexit tegen.

Huisbezoek

Een sombere stem begroet mij door de intercom als ik heb aangebeld. Ik antwoord en noem vriendelijk en opgewekt mijn naam. De zoemer opent de deur en ik beklim de vier trappen naar haar etage, waar ze aan de galerij woont met uitzicht op een al lang geleden gesloopt pand. Er groeit onkruid tussen de achtergebleven stenen.

De deur van haar apartement staat open en ik stap naar binnen in het kleine, maar gezellig ingerichte eenpersoons huishouden.

Het gaat niet zo best hoor, zegt ze bij de begroeting, terwijl haar rug wat gebogen is. Ze ziet er bleekjes en zwak uit.

86 jaar is ze. En nog altijd woont ze zelfstandig, doet zelf haar wasjes en haalt haar eigen boodschapjes. Soms vraagt ze een buurman wat fruit voor haar mee te nemen van de Turk om de hoek, “want dat is veel lekkerder dan dat van de supermarkt”. Haar dochter komt van tijd tot tijd helpen met schoonmaken, maar gisteren heeft ze zelf twee van de vier grote ramen aan de binnenzijde gelapt. Morgen doet ze de andere twee, en de buitenkant moet dan nog de volgende week. Ik prijs haar uitbundig. Ze doet elke dag als het even kan een wandeling om het ruime  parkeerterrein heen. Met de rollator, “want dan kan ik nu en dan even zitten om uit te rusten. Dan komt er soms iemand vragen of alles goed gaat… Maar landurig de winkels in, nee, dat lukt niet meer hoor, dan komt alles teveel op me af”.

We bespreken in alle rust de dagelijkse beslommeringen, de druppeltjes die ze van de huisarts moet slikken, “Waarvoor die zijn, ik heb geen idee,” zegt ze. Ze wil helemaal geen medicijnen slikken, “al die chemische rommel, dat kan toch niet goed zijn”. Maar haar kinderen willen niet dat ze de bijsluiter leest. Ze geeft hem aan mij, ik mag hem wél lezen. Op het doosje van de druppels staat alleen tekst in het Pools. Vreemd, vind ik, hoezo komen die medicijnen uit Polen? Ik lees in de – Nederlandse – bijsluiter dat de druppels bedoeld zijn tegen depressies en angsten. Merkwaardig, denk ik, nooit geweten dat ze die heeft. De reden dat ik bij haar kom is een gebrek aan energie, wat ik niet vreemd vind voor iemand van 86 Jaar, mag het een keer?

Ze heeft moeite om de juiste maat kleding te vinden in de winkel, vertelt ze. Alles slobbert vreselijk om haar magere lijf heen. Ze trekt het boordje van haar warme trui opzij en ik probeer niet te laten merken dat ik schrik van het ver uitstekende bot van haar sleutelbeen. Ik weet inmiddels dat ik niet verder hoef aan te dringen op voedzamer eten, ze doet al zo haar best om gezond te eten, ze eet al veel beter dan in het begin dat ik bij haar kwam.

Ze klaagt dat haar huisarts nooit eens belt om te vragen of alles nog goed gaat. Ik vraag me hardop af, of het niet een goed idee zou zijn als er van tijd tot tijd een wijkverpleegster langs zou komen om te polsen hoe de vlag erbij hangt? Ze denkt dat ze dat zelf kan vragen. “Oh prima, doe dat maar dan,” zeg ik. Dat belooft ze.

Ze vertelt omstandig hoe alles rondom de jaarwisseling ging met de kinderen, van wie de oudste 65 jaar is. Sommigen zien elkaar niet graag, dat zit haar niet lekker, maar ja, wat doe je eraan. Nu en dan vertel ik tussendoor  over mijn eigen familie, om te illustreren hoe ik met soms vergelijkbare situaties omga, hopend dat ze er in haar situatie wat mee kan.

Als we zo een half uur met elkaar hebben gepraat over haar doen en laten en hoe ze zo door het leven wandelt, wil ze graag een behandeling. 

Ik sta op en geef haar een stoelbehandeling die ook een half uur duurt. Ze geniet van de warmte en geeft me aan waar ik meer of minder moet geven, want dit hier is teveel en dat daar is te weinig. Zo heeft ze het na de vorige behandelingen ervaren.

Na afloop zegt ze blij:”Nu heb ik vleugels en kan ik alles weer aan!”

De metamorfose binnen dat ene uur verbaast me iedere keer weer. Als ze me uitlaat, staat er een opgewekte, levendig lachende vrouw met een rechte rug bij de deur. Haar ogen flonkeren. Heel anders dan toen ze me een uur eerder binnenliet. 

Bij de deur naar het trapportaal keer ik me nog eens om en daar staat ze, zoals altijd, om me uit te zwaaien. “Dag, tot de volgende keer!”

Tot de volgende keer!

Vuurwerk

Onderstaande klacht schreef ik aan het begin van 2019, net na de jaarwisseling. Ik ben benieuwd of die voor de komende jaarwisseling hetzelfde blijft. Of ben ik een eenzame roepende in de woestijn?

Geachte redactie,

Graag wil ik het volgende toevoegen aan de discussie over de toestand rondom de jaarwisseling. 

Wij wonen aan de rand van de stad. Lekker rustig, zou je denken. Niet dus. Nu vallen de glazen die rammelen in de kast, de tv die harder moet om te kunnen verstaan wat er wordt gezegd, het verergeren van mijn tinnitus, dat door het niet aflatende dreunen gelijk opgaat met het vorderen van de avond, en het feit dat we om middernacht wegens de zware bommen niet naar buiten durven om de buren te begroeten, natuurlijk in het niet bij de schade die Nederlandbreed is veroorzaakt, maar toch. 

We waren heel kort op het dakterras, in de hoop te genieten van het mooie vuurwerk, maar vluchtten al snel naar binnen, omdat de bommen zo zwaar klonken dat het niet te harden was daar boven.

Het magische moment van middernacht was een stuk minder magisch, doordat het vuurwerk al een week bijna continue werd afgestoken. In onze naïviteit dachten we nog even “misschien is het tegen middernacht wel op, zodat het wat rustiger is dan”, niet dus, fout gedacht.

Sommige dingen zijn mij niet helemaal duidelijk. Zoals:

  • Wat drijft dit land, wat maakt dat de knallen steeds zwaarder, de pijlen steeds duurder (ik hoorde bedragen noemen van € 2.000,— in één gezin), de brandstapels steeds hoger moeten?
  • Hoe komt het dat in andere landen (Australië hadden we aan de lijn in de nacht, ook dat gesprek werd erg verstoord door de bommen) zware boetes worden uitgedeeld als mensen vuurwerk afsteken, en in Nederland deze complete idioterie wordt gedoogd?
  • Ik snap het helemaal als mensen in een bungalowpark gaan zitten met de jaarwisseling. Onze hond blijft stoïcijns, gelukkig, maar ik weet dat dit uitzonderlijk is. Vorig jaar waren we in Oostenrijk met dit feest, ja, daar is het nog een feest. Prachtig vuurwerk gezien in de bergen en bubbels gedronken met de eigenaars van het appartement, dat kón daar gewoon. 
  • Is het niet van de zotte dat mensen uit hun huis gedreven worden en anderen juist hun huis niet uit durven, doordat een klein percentage zich zo nodig moet laten gelden?

Ik wil graag pleiten voor het Australische model: 

1. Alle vuurwerk door particulieren resoluut verbieden (én handhaven!) en een mooie show die door brandweer en politie in goede banen wordt geleid. 

2. Mensen die toch vuurwerk afsteken zeer zwaar straffen. 

nawoord

Het is nu 2020. We weten allemaal wat er is gebeurd deze jaarwisseling. De ene tragedie na de andere. Doden en gewonden, de verschrikkelijke verliezen die mensen lijden op fysiek, persoonlijk, en financieel vlak, het is allemaal niet goed te praten. En zoals Jamal Ouariachi schreef in Trouw: de traditie in dit land heet niet Zwarte Piet of vuurwerk, maar geld. Daar sluit ik me graag bij aan.

Het mooie

Het mooie van een kinderfeestje

Is dat we ‘s avonds lekker vroeg

weer naar huis kunnen, als we

doodmoe zijn van alle

kinderdrukte en

blij dat we zomaar de

troep de troep kunnen laten,

Is ook dat we ons

afzijdig kunnen houden

van gesprekken tussen

ouders van nichtjes en neefjes,

Of juist ons er wél in mengen

als het onderwerp ons

aanspreekt of raakt,

Maar het allermooiste is

dat de nu zes-jarige kleindochter

Regelmatig behoefte heeft aan

een omaschoot om op te klimmen,

om gewiegd te worden,

Aan een geneuried lied

om naar te luisteren, om

Met haar bluetooth microfoon

Een interview te geven

over

dat ze al een jaar de

stille wens heeft om

zangeres te worden,

De liedjes meezingt van spotify

Van k3, “oei, oei, oei”,

kinderen voor kinderen…

Die komt er wel.

Een bijzondere verjaardag

We werden 69. Mijn tweelingzus en ik. Heel mooi, op zich. 

Wel stond de gedachte me tegen dat we alweer onze verjaardag zonder elkaar zouden vieren. Net als zoveel vorige verjaardagen. Zo gaat dat als je elk je eigen leven hebt, inclusief kinderen en kleinkinderen, vrienden en vriendinnen, die je graag komen feliciteren. Logisch. Het gevolg is al die jaren geweest dat we elkaar’s verjaardagen misliepen. 

Dat moet toch een keer anders kunnen, dacht ik. 

Het toeval wilde dat mijn tweelingzus en mijn zwager kort daarvoor onverwachts bij ons op de stoep stonden, omdat ze toch in de buurt waren. Ik vroeg aan mijn zus:”Zeg, die kinderen van jou, die kunnen misschien ook niet zo gemakkelijk komen op een doordeweekse dag? Kunnen we niet van de gelegenheid gebruik maken en die avond met ons viertjes uit eten gaan?” Dat voorstel viel goed, gelukkig. 

Deze verjaardag zou ik met mijn tweelingzus vieren, voor het eerst in misschien vijftig jaar. Deze keer moesten zij en ik dus een keer de overige familie missen op deze feestelijke dag. En dan denk je ach, die zien we snel weer. Maar dat is niet hetzelfde. 

Het etentje was geweldig geslaagd, we hadden grote pret, in een restaurant dat voor beide stellen goed aan te rijden was. We hebben alle vier genoten, niet alleen van het eten, maar vooral ook van elkaar’s gezelschap. We spraken af bij het afscheid, dat als we ooit naar een bejaardenhuis moesten, dat we dan naar hetzelfde zouden gaan, dan hadden we tenminste elke dag lol.

Maar ja, zelf miste ik de kinderen wel, en dat voelde ik de volgende morgen nóg. 

Omdat ik ook weleens wat kwijt wil

Gedachten die ik met je wil delen komen bij mij vaak op als ik ’s morgens net wakker ben. Dan is de elektronica nog niet aan en op mijn telefoontje een hele tekst typen vind ik niet fijn.

Toch wil ik weleens wat kwijt. Over mijn eigen leven, of dat van een ander, een bekende of een gebeuren in het nieuws waarvoor twitter of Facebook niet geschikt zijn, omdat de ruimte te klein is. Dan kun je een twitter-draadje gaan zitten typen, maar dat bevalt me uiteindelijk ook niet.

Daarom ben ik dit Blog gestart. Zodat ik niet beperkt word en me vrij kan uiten over de Toestand In De Wereld. (Zonder GBJ Hilterman – ken je die nog? – te willen imiteren.)

Dus kom nog eens kijken of ik ergens een mening over heb geuit, of rare dingen heb meegemaakt. Kan zomaar gebeuren.